In deze terugkerende rubriek worden enkele kartrekkers van Drechtzorg aan u voorgesteld. Zij vertellen over hun ervaringen met ketenzorgprojecten en presenteren elk een eigen perspectief op samenwerking en de succesfactoren van een geslaagd project.
Aan de beurt zijn Diana van Dijk en Lian Evers, wondconsulenten bij respectievelijk Aafje en Internos. Ze zijn actief in het project Ulcus Cruris (open been). Lian is ook betrokken geweest bij het project Decubitus (doorligwonden). Ze vertellen over hun ervaringen met dit project van Drechtzorg.

1. Wat is je functie/wat doe je?
Lian: Ik ben wondconsulent bij Aafje. In 2007 heb ik de hbo-opleiding voor wondconsulent bij het Erasmus MC afgerond. Wij werken bij Aafje met wond- en decubitus-aandachtsvelders; ieder team of afdeling heeft een verpleegkundige die ervaring en kennis heeft op dit specifieke aandachtsgebied. Ik coördineer samen met twee collega’s deze aandachtsvelders en geef scholing en advies.

Diana: Ik ben wondconsulent bij Internos en coördineer samen met het wondteam de wondzorg binnen de organisatie. In 2011 heb ik dezelfde opleiding tot wondconsulent afgemaakt. Voor dat ik in dienst kwam bij Internos ben ik lange tijd poliverpleegkundige in het Albert Schweitzer Ziekenhuis geweest. Namens Internos organiseer ik mede elk jaar een regionaal symposium over wondzorg. In 2010 is tijdens het symposium de routing en het project ulcus cruris geïntroduceerd in de regio.

2. Hoe ben je hierbij betrokken geraakt?
Lian: Ik heb geparticipeerd in het decubitusproject van Drechtzorg en doe dat nu in het ulcus crurisproject. In het project decubitus is er zowel een transmurale richtlijn preventie als een behandelrichtlijn opgesteld en is er veel kennis uitgewisseld tussen de deelnemers.

Diana: Mijn ex-collega, Esther Schakel nam deel aan het decubitusproject. Naar aanleiding van haar onderzoeksresultaten over de behandeling van ulcus cruris in de eerstelijnszorg, is de projectgroep ulcus cruris opgericht. Nadat zij een andere baan kreeg, heb ik haar deelname in de projectgroep overgenomen.

3. Wat heeft het opgeleverd?
Diana: Inmiddels is er een stroomschema (routing) opgesteld en goedgekeurd. Hierin staat voor de huisarts en de wondverpleegkundige beschreven hoe om te gaan met een geval van ulcus cruris, zowel qua behandeling als verwijzing. Je merkt dat er steeds vaker bij ons wordt aangeklopt voor advies. De opkomst bij de bijeenkomsten die in het kader van het project worden georganiseerd is nog wel wisselend. De belangstelling vanuit de huisartsen is groot maar de aanmeldingen nog summier omdat de huisartsen maar 2 á 3 gevallen per jaar tegen komen in hun praktijk.

Lian: Wij komen sinds een paar jaar ook steeds vaker in de verzorging/verpleeghuizen. Daar zijn ze heel blij met ons. Het behandelen van dit soort wonden is toch een vak op zich. De wil is er bij de verpleging wel maar er is in de afgelopen jaren veel kwaliteit weggetrokken vanwege bezuinigingen. We zijn echt nodig en de reacties zijn ook heel positief. Als je een wond binnen enkele weken dicht krijgt, bespaar je een patiënt een hoop ellende.
De effectmeting is nog wel een probleem. Er zijn nog weinig concrete cijfers over de resultaten die we halen. Wij weten dat de aanpak werkt, maar het is moeilijk aan te tonen zolang dat niet gestaafd wordt. Voor het zorgkantoor is dat ook een belangrijk punt. Zij gaan geen financiële ondersteuning aan het project geven als daar geen inzicht in is.

Diana: De grootste uitdaging is dat we bekend moeten worden bij de professionals die dit soort wonden tegenkomen. Die marketing is wel iets wat we nog beter moeten doen. Dat is niet echt ons vak. Je ziet dat de interesse in het onderwerp op een gegeven moment weer wegebt. Dat neemt niet weg dat we hierin al grote stappen hebben gezet.

4. Ketenzorgsamenwerking is volgens jou…….
Lian: Wij hebben als wondconsulenten specifieke kennis in huis. Kennisdeling is voor ons belangrijk.

Diana: Om een project te laten slagen, heb je wel mensen nodig die er voor willen gaan en dat beetje extra willen doen. Maar het is inderdaad belangrijk om niet te stoppen bij de grenzen van de eigen organisatie. Ik ben blij dat we die ruimte ook krijgen. Uiteindelijk is het belangrijkste doel om de patiënten overal in de regio dezelfde kwaliteit van zorg te bieden.

Lian: Wij hebben de tweede lijn ook nodig. Wij weten onze contacten in het ziekenhuis wel te vinden, maar dat is nog niet structureel gemaakt. Voor de overdracht bijvoorbeeld is het belangrijk dat wij kunnen zien wat er met een patiënt is gebeurd in het ziekenhuis en vice versa.

Diana: Het transmurale denken moet echt op gang komen. Het besef bij bijvoorbeeld het ziekenhuis moet groeien dat wij thuis ook heel veel kunnen. Mensen moeten ook voorgelicht worden over de problematiek. Als iemand met een wond bij de huisarts komt dan zit die er al drie weken. In het ziekenhuis is het zo dat een wond vaak niet opvalt of van secundair belang is. Soms hebben specialisten nog moeite om ons in te schakelen. Ik denk dat dit project daar wel wat verandering in gaat aanbrengen.

5. Welke uitdagingen liggen er nog?
Diana: De grootste uitdaging is het structureel maken van de samenwerking in wondzorg. De droom voor de toekomst is om een onafhankelijk team op te richten dat in de regio, op consultbasis, dit soort wonden behandelt / de zorg rond deze specifieke patiëntengroep coördineert. Dat is een gezamenlijke wens die al tijdens het decubitusproject is ontstaan bij de projectgroepdeelnemers. Op die manier kan je echt realiseren dat de wondzorg voor alle patiënten in de regio gelijk wordt, van een hoge kwaliteit is en de kennis over wonden en zwachtelen toeneemt in de eerstelijnszorg.